Een verschrikkelijke vertelling door
Manuel Nepveu
Lang geleden, in een land dat op geen kaart meer te vinden is, woonde
eens een eenzelvige koning. Hij
vertoonde zich zelden in het openbaar en zelfs zijn naaste verwanten zagen hem
soms wekenlang helemaal niet. Dan studeerde hij in het torenkamertje. Wat hij
studeerde wist men niet zeker. Bestudeerde hij de werken van de grote
astronomen? Sommige tongen beweerden het. Bracht hij uren achter het schaakbord
door? Boze tongen berichtten inderdaad van dit frivool vermaak.
Hoe het ook zij, de koning deed niets aan het bestuur van zijn land.
Hij liet dat over aan enkele wijze mannen. Nu weet U allen, lieve lezertjes,
dat het des te beter met een land gaat, naarmate de koning zich minder met
staatszaken bemoeit. Het ging de mensen van dit land dan ook zeer naar den
vleze. Uit dankbaarheid aan de schappelijke koning brachten de mensen eens per
jaar cadeautjes bijeen voor de vorst. Zij zetten die cadeautjes voor de deur
van het paleis en een oude lakei sleepte de gulle gaven naar binnen. Op zekere
dag besloten de mensen van het land de koning een wel héél mooi cadeau te te
geven. Zij brachten duizenden goudstukken bijeen, gingen naar de beroemdste
zilversmid van het land en lieten een prachtig, levensgroot schaakbord maken.
De edelstenen flonkerden aan alle kanten toen het gereed was. De velden op het
bord waren afwisselend van blinkend wit en gitzwart marmer. Het bord was maar
liefst vijftien bij vijftien meter en zag er heerlijk uit. Het was het mooiste
en grootste schaakbord dat ooit door mensenhanden was vervaardigd.
De mensen kochten nu tweeëndertig slaven uit een ver land.[1]
Zij kleedden zestien slaven aan in prachtige witte pakjes en de andere zestien
slaven kregen dezelfde soort pakjes, maar dan in het zwart. Twee van de
tweeëndertig slaven waren van de vrouwelijke kunne. Mooiere slavinnen hadden de
mensen van het land nog nooit gezien.
Op de dag dat het geschenk werd aangeboden toog een grote stoet blije
mensen naar het paleis. Er waren wel tien paarden voor nodig om het bord te
trekken. Achteraan liepen de slaven in hun fraaie pakjes, geketend en met
strakke gezichten. Toen op de paleisdeur werd geklopt deed als vanouds de lakei
open. Bij het zien van het geschenk slaakte hij een beschaafd gilletje en hij mompelde
dat de koning het geschenk dit keer zelf maar in ontvangst moest nemen. De oude
spoedde zich naar het torenkamertje en een kwartier later zagen de mensen van
het land de koning zelf in de deuropening verschijnen. Oorverdovend was het
lawaai, want uit zeker duizenden kelen steeg een enthousiast gebrul op. Het
duurde wel een half uur voordat de mensenmenigte wat was bedaard. Een
kroniekschrijver meldt ons dat op die dag duizenden mensen hun stem voorgoed
verloren en dat velen sindsdien hebben moeten leren liplezen. Slechts een
enkeling ontwaarde vreemde lichtjes in de ogen van de monarch …
Het schaakbord werd in de paleistuin neergelegd. Er werd een apart hok
gebouwd dat moest dienen als verblijf van de slaven. Vele landslieden hoopten
nu heimelijk dat zij de koning eens wat vaker te zien kregen. En in die
verwachting werden ze niet tekeurgesteld.
In de weken die volgden zagen zij de koning met een stoet van lakeien
elke morgen om zeven uur door de tuin naar het hok wandelen. De slaven werden
op het bord opgesteld en de koning nam plaats in een gouden zeteltje naast het
bord. Twee lakeien werden nu telkens aangewezen om een partij te spelen en toen
de koning ontdekt had dat een van hen wel erg vaak verloor, nodigde hij deze
uiteindelijk uit een om partij met hem te spelen. De lakei verloor en de koning
vatte genegenheid voor hem op. Heel vaak speelde de vorst tegen hem en door de
hoge score die de koning behaalde ging dra het gerucht dat hij wel zeer sterk
was. De koning kreeg er maar geen genoeg van en het ontging sommige lakeien
niet dat er vreemde lichtjes verschenen in de ogen van de monarch wanneer hij
speelde …
Nadat de koning zich op deze manier vele maanden onledig had gehouden
begon hij op het spelmateriaal uitgekeken te raken. De eens zo frisse slaven en
slavinnen waren door het lange staan en het ongezonde winderige verblijf flets geworden. Schaken wilde de koning nog
steeds en graag. Hij liet doorschemeren dat een nieuwe garde van slaven en
slavinnen hem niet onwelkom zou zijn. Aangezien het de burgers van het land nog
steeds voor de wind ging voldeden zij graag aan het verzoek van hun vorst. Zo
kon men dan ook op zekere dag tweeëndertig frisse slaven, waaronder twee zeer
bevallige, de paleistuin zien binnentrekken.
De koning was verrukt en liet zowaar een vorstelijk gilletje van
plezier. En het ontging niet iedereen dat vreemde lichtjes in zijn ogen
brandden …
Op zekere dag liet de koning weten dat hij persoonlijk ten aanschouwe
van het ganse volk een schaakdemonstratie zou geven. Een immense schare
verzamelde zich op het afgekondigde uur voor de hekken van de paleistuin en
keek reikhalzend uit naar het moment dat de koning zou gaan spelen. Op het bord
stonden de tweeëndertig slaven klaar. Niemand dacht er wat bij dat ze allen met
messen waren uitgerust die blinkerden in de zon …
De koning betrad de paleistuin, zette zich op zijn gouden zetel en een
oorverdovend gejuich steeg op uit duizenden kelen. Voor de gelegenheid had de
koning een bekend schaakmeester uitgenodigd en hem voor de aanvang van de
partij met geschenken overladen. De koning begon en gaf zijn koningspionneslaaf
opdracht twee marmeren veldjes op te rukken.
De schaakmeester deed na rijp beraad hetzelfde. Niet lang dacht de
koning na en fluks kreeg de slaaf met de korte naam ”f2” de opdracht twee
veldjes op te rukken. De schaakmeester verbleekte en begon onmiskenbaar te
sidderen. Het zweet brak hem uit. Hij trok wel een kwartier uit voor zijn
riposte: de damepionneslaaf werd twee veldjes naar voren gestuurd. De koning
gaf zijn koningspionneslaaf zonder omhaal opdracht om korte metten te maken met
de damepionneslaaf van de schaakmeester. Een stoot, een schreeuw en de slaaf op
het witmarmeren veldje stortte ter aarde. Luid gebrul steeg op uit duizenden
kelen. Goed gespeeld!
Twee lakeien haalden snel de puinhoop op het witmarmeren veldje weg. En
omdat de toeschouwers tamelijk verweg stonden zagen zij niet dat het
witmarmeren veldje helemaal niet zo wit meer was …
De partij duurde vele, vele uren. Af en toe werd er gestoten, klonk er
een gil en werd door twee lakeien iets van het bord weggedragen. De
schaakmeester was een beroerte nabij, maar dat merkten alleen de lakeien. De
koning was daarentegen laaiend enthousiast. Bij iedere stoot, bij iedere gil
maakte hij een korte ruk met zijn gebalde vuist. Hij bereikte een gewonnen
torenslaveneindspel en dat voerde hij bekwaam en gedecideerd tot winst. Aan het
eind waren er nog vier slaven op het bord aanwezig. Zij werden vrijgelaten op
voorwaarde dat zij het koninkrijk schielijk zouden verlaten. Dit schijnen zij
zonder al te veel tegenzin te hebben gedaan. De schaakmeester heeft het verlies
van de partij niet kunnen verwerken. Na de partij werd hij schielijk naar een
naburig klooster gebracht, alwaar hij tot aan zijn levenseinde, in volledige
geestelijke omnachting, liefdevol werd verpleegd.
Steeds vaker liet de koning doorschemeren dat hij wel weer nieuw
spelmateriaal wilde ontvangen. En omdat de burgers van het land hun koning
graag mochten willigden zij zijn wensen in. Wat zij niet wisten was dat de
stemming in het paleis almaar slechter werd. Vele lakeien moesten naar een
nonnenklooster worden gebracht. En hoewel de nonnen strenge
geheimhoudingsplicht hadden, lekten er toch rare berichten uit. Er zouden zich
vreemde tonelen afspelen in de paleistuin. Maar aangezien de burgers een hoge
dunk hadden van de koning, waren er maar weinigen die de wenkbrauwen fronsten;
de meesten haalden hun schouders op.
De koning genoot ondertussen. Hij ging geheel en al in het spel op. ’s
Nachts droomde hij van wat zich overdag in zijn tuin had afgespeeld, of dacht
hij wakker scherpe gambieten uit.
Het Evansgambiet, het Muziogambiet, het Boedapestergambiet, de koning
was hun ware uitvinder, lang, lang voordat zeekapitein Evans, schaker Muzio en
de goede burgers van de stad Boedapest deze speelwijzen herontdekten.
Op zekere nacht borrelden uit de duisterste diepten van ’s konings ziel
dromen op waarin alle burgers van het land op een groot grasveld van wel tien
bij tien kilometer bijeen waren, bewapend met messen. Sommigen waren te paard,
de meesten te voet. Tegenover hen stonden even zo vele burgers uit een naburig
koninkrijk. Een verschrikkelijk gevecht ontrolde zich aan ’s konings
geestesoog. Veel burgers werden gestoken. Zij stieten een gilletje uit en
vielen neer. En tot slot doorstak de koning zijn collega uit het naburige
koninkrijk.
Met schitterende ogen werd de koning wakker …
Niet lang na dit alles begon het de burgers op te vallen dat de koning
belangstelling aan de dag begon te leggen voor de praktische politiek. De
gevolgen waren er naar: alle burgers van het manlijk geslacht kregen opdracht
zich in de wapenhandel te oefenen. En iedere avond zat de koning in de
paleistuin bij zijn schaakbord en zijn levende stukken. En hij ontwierp
schitterende strategieën hoe men met zoveel mogelijk offers de vijand zo
mogelijk nog groter leed kon berokkenen. Toen de koning van zijn generaals
vernam dat het leger goed getraind was herinnerde hij zich plotseling dat hij
zijn collega van het naburig rijk nooit bijzonder had gemogen. De
prachtlievendheid van deze was hem eigenlijk altijd al een doorn in het oog
geweest. Een poenige figuur met een bolle buik, dat was hij in de grond
genomen. Ja, die bolle buik, die zou hij graag eens lekprikken.
En wat de psychologisch geschoolde lezertjes al hebben zien aankomen
gebeurde. De koning vond na lange beraadslagingen met zijn juridische adviseurs
een goede reden om de oorlog te verklaren. En zo kon men enige tijd later op
een grasveld van wel tien bij tien kilometer vele tienduizenden burgers
aanschouwen, getooid met lange messen. Sommigen zaten te paard, de meesten
waren te voet. En toeschouwers met goede ogen konden in de verte een bolle
figuur ontwaren, met naast hem een vrouwspersoon. Toen klonk klaroengeschal en
daarna een gebrul uit tienduizenden kelen, misschien niet enthousiast, maar
toch zeker dierlijk.
De burgers van de beide koninkrijken stormden op elkaar af. Zij
stootten met hun lange messen. Velen stieten een gil uit en vielen. Toen het
avond geworden was gaf het leger van de poenige koning zich over. De verrukking
van de aanstichter van al dit moois kende geen grenzen. En met intens genot
prikte hij zijn poenige collega lek. En zijn droom en innige wens gingen
daarmee in vervulling.
Maar hij was bijna de enige in de beide landen die zich zozeer verheugd
had. Kommer en kwel waren over de koninkrijken neergedaald en ieder kind wist
aan wie men dat te danken had.
De koning, die geen verdere koninkrijken in zijn buurt had, trok zich
weer terug in zijn paleis en uit de staatszaken. En hoezeer hij ook liet
blijken nieuw spelmateriaal op prijs te stellen, hij kreeg het van niemand.
Toen de koning tenslotte door zijn laatste slaven en slavinnen heen was trok
hij zich teleurgesteld terug in zijn torenkamertje.
Daar is zijn toestand snel achteruit gegaan. Hij werd afgezet door zijn
naaste verwanten en in een naburig nonnenklooster tot aan zijn einde liefdevol
verpleegd. De nonnetjes hebben met rode oortjes geluisterd naar wat de koning
ijlde in zijn altijd onrustige slaap. En zij verbaasden zich vanwege de
schittering die zij somtijds in zijn ogen ontwaarden. Het staat wel vast dat
zij hun mondjes niet hebben kunnen houden. Want anders had ik dit verhaal hier
niet kunnen optekenen.
Of deze waargebeurde geschiedenis nog andere gevolgen gehad heeft?
Welzeker!
Want sedert die dagen hebben alle mensen van goede wille een zeker
wantrouwen tegen het schaakspel. En ook tegen deszelfs beoefenaren. Vanwege die
onverklaarbare gevaarlijke lichtjes in de ogen van sommigen, wanneer zij zich
overgeven aan de bekoringen van het spel.
Manuel Nepveu
[1] Voor jonge lezertjes, die hierdoor misschien geschokt zijn, zeg ik er ter verduidelijking even bij dat het bezit van slaven in die tijd niets bijzonders was. Slaven kon je inzetten bij de bietenoogst of bij de opvoeding van de kinderen, Slavinnen ook nog bij de fabricatie daarvan. Slaven mochten toen trouwens nog niet in een vakbond verenigd zijn.