Ooit heb ik een heel oud boekje van mijn grootvader gekregen, het “Reglement op het Gewoon schaakspelen, benevens het reglement op het schaakspel met vier spelers”, uitgegeven door G. Theod. Bom te Amsterdam in 1869 – de tijd van Anderssen, Steinitz en Tsjigorin, vlak voor de Frans-Duitse oorlog, vlak na de Amerikaanse burgeroorlog en de moord op Lincoln (1865), onze koning was Willem III. Hierbij het reglement op het “gewoon schaakspelen”. Er wordt gesproken van ruiten, een voorgever, roqueren, valsch zetten en “een pion, tot dam komende”. Hoe speelden onze (over)grootvaders? Een volgende keer het reglement voor het spelen met vier spelers. Om u alvast nieuwsgierig te maken: “hieruit volgt: dat, zoo lang een Koning mat staat, met zijn spel niet mag worden gespeeld”.
REGLEMENT
Op het gewoon
SCHAAKSPELEN.
--------------
Art. 1. Het schaakbord wordt geplaatst met
het onderste witte vak ter regter zijde van den speler. Is het bord verkeerd
geplaatst en wordt het abuis eerst na den vierden zet ontdekt, dan moet de
partij uitgespeeld worden, zonder verplaatsing van het bord; maar, vóór den
vierden zet ontdekt wordende, heeft ieder der partijen het regt, het spel op
nieuw te doen beginnen.
Art. 2. Wanneer in het begin van het spel
ontdekt mogt worden, dat stukken op verkeerde ruiten of geheel en al vergeten
zijn op het bord te plaatsen, dan kunnen zoodanige stukken naar behooren
geplaatst en bijgevoegd worden. Zoo er echter reeds vier zetten van weêrszijden
gedaan zijn, dan moet het spel zonder verbeterde plaatsing of bijvoeging van
stukken (rectificatie of additie) uitgespeeld worden.
Art. 3. Hij, die vóórgeeft, en het vóór te
geven stuk niet van het bord neemt, vóór den vierden zet van weêrszijden, moet
het spel voortzetten, zonder zoodanig stuk of Pion van het bord te nemen; doch,
al geeft hij zijne tegenpartij schaakmat, zoo wordt zoodanig spel slechts als
onbeslist (remise) beschouwd. Het
abuis door den voorgever, vóór zijnen vierden zet, ontdekt wordende, moet het
spel op nieuw worden begonnen.
Art. 4. Wanneer gelijk op (à but) wordt gespeeld, dan is het
gebruikelijk, om den eersten zet van het eerste spel te loten.
Naderhand gaat zulks
beurtelings. Zoo het spel onbeslist (remise)
is, verandert de eerste zet niet voor het volgende spel.
Art. 5. Hij, die voorgeeft, heeft altijd den
eersten zet.
Art. 6. Hij, die, wanneer het zijne beurt is
om te spelen, een stuk of Pion aanraakt, moet zoodanig stuk spelen; tenzij hij
op dat zelfde oogenblik zegge: „Ik zet te regt” (j’adoube). Zelfs wanneer een stuk van het bord valt, of niet
behoorlijk op zijne plaats staat, moet het woord: „Ik zet te regt” (j’adoube) bij de teregtplaatsing
gebezigd worden; anders zou de tegenpartij kunnen vorderen, dat men zoodanig
stuk spele.
Art. 7. Het aanraken van den Koning, zoo
deze niet anders dan in schaak kan gespeeld worden, is niet strafbaar. Wanneer
men een stuk aanraakt, dat niet gespeeld kan worden, zonder den Koning in
schaak te stellen, dan moet men den Koning spelen; maar zoo de Koning geen zet
heeft, vervalt het strafbare van het aanraken.
Art. 8. Hij, die een stuk zijner tegenpartij
aanraakt, zonder te gelijker tijd te zeggen: „Ik zet te regt” (j’adoube), moet dat stuk nemen, indien
zulks doenlijk is. Is dit het geval niet, dan moet hij zijn’ koning spelen;
doch heeft de Koning geen zet, dan vervalt de straf. In ieder geval dan, waarin
men den Koning spelen moet, kan men op zoodanigen zet niet verwisselen (roqueren).
Art. 9. Zoo lang men een stuk, op een
bepaald veld spelende, vasthoudt, kan men daarmede een’ anderen zet doen; maar
eenmaal het stuk losgelaten hebbende, is de zet volbracht.
Art. 10. Hij, die met een der stukken van de
tegenpartij in plaats van met zijne eigene speelt, kan, volgens keuze van de
tegenpartij, genoodzaakt worden: óf het stuk te nemen, indien zulks doenlijk
is; óf het op zijne plaats te herstellen en met den Koning te spelen; óf
zoodanig stuk dáár te laten staan, waar het bij vergissing geplaatst is. In
dit, gelijk in de voorgaande gevallen, indien de Koning niet spelen kan, blijft
dat deel der strafbaarheid buiten werking.
Art. 11. Hij, die een stuk neemt van zijne
tegenpartij, ofschoon zijn stuk het niet nemen kan, zonder een’ valschen zet te
doen, moet zoodanig stuk, indien zulks doenlijk is, met een behoorlijk
stuk nemen,
of het aangeraakte stuk
spelen, volgens keuze van de tegenpartij.
Art. 12. Hij,
die bij vergissing een zijner eigene stukken met een ander neemt, kan
genoodzaakt worden, een van beide te spelen.
Art. 13. Hij, die een valschen zet doet, kan
genoodzaakt worden: óf het stuk te laten staan, waar het verkeerdelijk
geplaatst is; óf het binnen zijn werkkring te spelen; óf, eindelijk, zoodanig
stuk terug te plaatsen en den Koning te spelen.
Art. 14. Hij, die twee zetten te gelijk
doet, moet het tweede stuk terug plaatsen. De tegenpartij heeft echter het regt
te vorderen, dat de twee zetten zullen standhouden, en dat met het spel
voortgegaan worde, als of slechts één zet hadde plaats gehad.
Art. 15. Het verwisselen (roqueren) is verboden:
1°. als de Koning reeds gespeeld is;
2°. als de Koning in schaak is;
3°. als de ruiten, die de Koning passeren
moet, door vijandelijke stukken worden bdreigd;
4°. als de Toren, waarmede men verwisselen
wil, reeds vroeger werd gespeeld.
Hij, die in bovenstaande gevallen
verwisselt, kan verpligt worden, den zet over te doen, en de tegenpartij heeft
het regt te vorderen, dat de Koning of de Toren gespeeld worde. Men mag
verwisselen, al was de Koning vroeger in schaak, doch niet van zijne plaats
geweest, en ook dan, wanneer, op het oogenblik van verwisseling, de Toren
aangevallen is. Ook aan de lange zijde mag de Toren schaak voorbijgaan. Hij,
die een’ Toren voorgeeft, mag verwisselen, alsof de Toren op zijne plaats
stond.
Art. 16. Alleen den Koning wordt „schaak”
gezegd. Wordt dit vergeten, dan mag de tegenstander een ander stuk spelen,
alsof de Koning niet in schaak stond, en de nalatige partij, zulks na een of
meer zetten bemerkende, en alsdan een of ander stuk aanvallende, te gelijker
tijd zeggende: „schaak!” kan daarvan geen voordeel genieten, als wanneer iedere
zet, gedaan nadat de Koning in schaak stond, van beide kanten moet teruggenomen
en de Koning uit schaak gespeeld worden.
Art. 17. Iemand ontdekkende, dat zijn Koning
in schaak staat, zonder te weten, hoe zulks in het eerst plaats had, mag, in
zoodanig geval, zijn’ eersten zet terugnemen en den Koning buiten schaak
spelen.
Art. 18.
Wanneer de tegenpartij „schaak!” zegt, zonder inderdaad schaak te geven, en men
daardoor zijn’ Koning reeds gespeeld, of een stuk er tusschen geplaatst heeft,
dan mag men den zet over doen, mits dat zulks ontdekt worde, voor dat de
tegenpartij gespeeld heeft.
Art. 19. Een pion, tot dam komende,
verkrijgt dadelijk de magt van welk stuk men verkiest. De aard van het spel
veroorlooft niet, dat men meer dan een’ Koning neme; maar men mag zoo vele
Koninginnen, Paarden, enz. te gelijker tijd op het bord nemen, als men
verkrijgen kan.
Art. 20. Iedere Pion heeft het regt, om de
eerste keer, dat men hem verzet, twee vakken vooruit te rukken; maar in dat
geval mag hij in het voorbijgaan genomen worden door zoodanigen Pion, als hem
zou hebben kunnen nemen, indien hij slechts één vak vooruitgerukt ware.
Art. 21. Pat wordt als onbeslist spel (remise) beschouwd.
Art. 22. Hij, die met den Toren en den
Raadsheer tegen den Toren, of met twee Raadsheeren, of met het Paard en den
Raadsheer tegen den Koning alleen overblijft, is verpligt, voor het meest in
vijftig zetten mat te geven, of het spel is voor onbeslist (remise) te houden. De zetten worden
gerekend van het oogenblik, dat de tegenpartij te kennen geeft, dat hij die
zetten begint te tellen. In dit, zoo als in alle andere gevallen, waar het
aantal zetten bepaald is, worden bedoeld: vijftig zetten van iedere zijde.
Blijft men met grootere macht over dan de bovenvermelde, zoo blijft echter die
zelfde wet in werking. Evenwel is men niet aan een zeker getal zetten, tot het
geven van schaak-mat, gebonden, zoo men onderneemt, om met een bijzonder stuk
of Pion, op eene ruit, schaak-mat te geven; of wanneer men andere voorwaarden
maakt, die niet tot het geregelde spel behooren.
Art. 23. Niemand kan zijne tegenpartji
wegens eene overtreding bestraffen, na reeds een stuk gespeeld, of zelfs
aangeraakt te hebben, zonder „Ik zet te regt” (j’adoube) te zeggen.
De oorspronkelijke tekst was door Gerhard in een gescande
versie aangeleverd, maar dat bleek (o.a. vanwege de vergeling van het
origineel) een bijna onleesbaar beeld op te leveren. Op "verzoek" van
de redactie heeft Gerhard toen zijn zondagmiddag opgeofferd aan het overtypen
van de tekst! Dankzij het gebruikte "oude" lettertype ziet U bijna
het verschil niet.
Gerhard bedankt!
De redactie