In mijn schooltijd reeds had ik grote belangstelling voor geschiedenis, maar niet voor zoiets subtiels als sociale geschiedenis. Neen, geschiedenis was voor mij “histoire de bataille”, de aaneenrijging van veld- en zeeslagen. Deze fascinatie voor het grofstoffelijke oorlogsgeweld is tot op de dag van vandaag gebleven. Niet voor het anonieme geweld waarbij een granaat schade aanricht op tientallen, honderdtallen kilometers afstand van de plaats waar hij wordt afgeschoten. Neen, mijn fascinatie betreft de strijd van legers op oogafstand en minder, waarbij zwaard of bajonet van de een het lijf van de ander lek prikt of deerniswekkend verminkt, waarbij overwinnaar en overwonnene direct worden geconfronteerd met resultaat en reactie. Het weeë gevoel in de maagstreek voor de slag begint. De atmosfeer van adrenaline, zweet, angst, lijden. Het doodslaan van de gewonden na de slag, de barbaarse medische ingrepen van de chirurgijns.
Ik herinner me uit mijn middelbare schooltijd dat de Romeinse geschiedschrijver Livius in zijn boek “Ab urbe condita” (1) beschrijft hoe na de slag bij het Trasumeense meer (217 v. C.) zwaargewonde Romeinse soldaten zand over hun eigen hoofd ophoopten om het stervensproces te versnellen. Er is geen plaats voor romantisering van het oorlogsbedrijf, dat spreekt. Maar de fascinatie blijft.
En over enkele maanden trek ik met een zevental anderen naar plaatsen geschikt voor de strijd. De spanning loopt op vlak voor de wedstrijd. We zien “de vijand” in de ogen en ervaren direct resultaat van en reactie op onze handelingen. Sommige zullen lijden, anderen zullen doen lijden. En wij zijn elkanders chirurgijns, inclusief de barbaarse mentale ingrepen uitgevoerd tijdens het verorberen van een rijsttafel.
(1)“Vanaf de stichting van de Stad”, dat wil zeggen van Rome