Hij was de oudste en zwakste deelnemer aan de vierkamp. Nul uit twee, dat kan iedereen, dacht ik hatelijk. Toch had ik me voorgenomen hem niet te onderschatten. Twee eerdere plusremises hadden me in een plezierige gemoedstoestand gebracht, en die wilde ik vooral in stand houden.
Mijn tegenstander was in een desperate bui. Ik had wit en speelde zoals gewoonlijk aanvallend. Wat hij daartegenover stelde, leek me roekeloos. Hij gaf nog commentaar bij zijn zetten ook, gemeenplaatsen als: "Ik heb toch niets meer te verliezen." Ik ademde diep in, geërgerd, en vroeg of hij iets wilde gebruiken. Koffie, of wat anders. In plaats van antwoord te geven, begon hij uit een vaal rugzakje een van huis meegebrachte fles biologisch sap op te diepen. "Nee, dank je", antwoordde hij daarna eindelijk.
Het kon gewoon niet goed zijn wat hij allemaal speelde, maar weerleggen kon ik het irritant genoeg ook niet. Langzaam kreeg zwart de overhand, totaal onverdiend, dacht ik verongelijkt. Een bekende van de man kwam meekijken, schuin achter diens rug. De man keek om en glimlachte. Het ontging me niet.
Hoewel inmiddels zwaar in de verdediging, was ik nog steeds overtuigd van mijn gelijk. Ik zal je krijgen, klootviool! Met die gedachte strekte ik mijn hand uit en speelde een zet die direct verliezend was. Echt een fout. Mijn blik bleef geruime tijd op het bord rusten. De stukken stonden roerloos af te wachten. Weer haalde ik diep adem. Ik durfde bijna niet meer naar de man tegenover me te kijken. Toch deed ik het. En verdomd, weer die glimlach.