Eenzaamheid Manuel
Nepveu
Wanneer
tijdens een toernooi een ronde ten einde is, tref je bijna overal op de borden weer
gewoon de beginstand aan, maar er zijn er ook altijd waarop de slotstand
bevroren is, het resultaat van de strijd zichtbaar. De ene combattant heeft de
ander vermoedelijk gefeliciteerd, men is naar de analyseruimte vertrokken. Maar
wat daar gezegd wordt lijkt in de verste verte niet op het overleg op het echte
slagveld na de overwinning…
-Hannibal werd door iedereen omstuwd en met zijn overwinning
gefeliciteerd; maar terwijl de overigen hem aanrieden om, na zo'n groot
gevecht, voor de rest van de dag en de nacht zichzelf en zijn vermoeide
soldaten wat rust te gunnen, zei de commandant van zijn ruiterij, Maharbal, in de mening dat men nu juist dóór
moest zetten: "Zeker niet! Ik zal je eens wat zeggen, waardoor je
begrijpen kunt, wát er eigenlijk met deze slag bereikt is: over vier dagen zul
je je overwinningsdiner eten op het Capitool. Kom mij maar achterna; ik ga nu direct met de
cavalerie vooruit: ze moeten mij zien voordat ze mij verwachten."-
De
zaal is verlaten. Geruis dringt tot me door, het gemurmel van de deliberaties
in de analyseruimte. Gewikt wordt er en gewogen, de stand van zaken opgemaakt,
vooruitgekeken naar de dag en slag van morgen. Idem in een ver verleden en
ergens anders en in de openlucht…
-Hannibal leek deze voorstelling van zaken te optimistisch; hij
kon haar niet terstond geestelijk verwerken. Daarom zei hij, dat hij de
voortvarendheid van Maharbal prees; dat hij echter
nog niet onmiddellijk diens voorstel op zijn mérites
kon beoordelen. Waarop Maharbal zei: "Zo geven
de goden toch inderdaad nooit alles aan één man: overwinnen kun je, Hannibal,
maar van de overwinning iets máken, dat kun je
niet." Men neemt algemeen aan, dat die éne dag
uitstel de Stad en het Imperium heeft gered.-
Op
die hardhouten slagvelden waar de strijd als op een foto vastgehouden is, zie
je de puinhopen, de gesneuvelde pionnen en stukken ordeloos naast het echte
strijdtoneel. Een paard met een van zijn oren eraf ligt naast een paar pionnen.
Bij een daarvan is het viltje verdwenen. Een loper lijkt te huilen, de grote
bek opengesperd…
-Zodra het de volgende morgen licht geworden was, ging men er op
uit om de buit te verzamelen en de doden te bekijken, een afschuwelijk
schouwspel zelfs voor vijanden. Daar lagen al die duizenden Romeinen,
infanteristen en cavaleristen door elkaar, zoals het toeval ze bijeen had gebracht
of de strijd of de vlucht.-
De
eenzaamheid van de stukken op en naast deze borden is evident. Zij brullen daarover
in stilte. En bepaald niet voor het eerst borrelt die ene, zeer specifieke
literaire passage in me op. Niet letterlijk, maar in essentie. Tweeduizend jaar
geleden geschreven in het Latijn. Indertijd, in de vijfde klas markeerde lezing
ervan een pijnlijk stapje richting volwassenheid. De abstractie van al die
Romeinse veldslagen plots rauw ingekleurd, het kwartje valt. Naďef misschien,
maar de Golanhoogte bijvoorbeeld, waar in de tijd
waarover ik schrijf werd gevochten, was tot dit moment alleen maar een
abstractie uit de krant…
-Midden uit de lijken rezen sommigen nog omhoog, als door de pijn
van hun wonden in de ochtendkou het bewustzijn terugkwam - maar de vijand
maakte er een eind aan. Anderen vonden zij levend liggen met doorgesneden dijen
en kniepezen; dezen ontblootten zich de hals en vroegen om de genadeslag;
enkelen trof men aan met het hoofd onder de aarde gewroet: het was duidelijk,
dat zij zichzelf hadden doen stikken door een kuil te graven en hun gezicht
daarin met er overheen geworpen grond te bedelven.
Het meest trok aller aandacht een Numidiër die nog
levend, maar met stukgebeten neus en oren onder een dode Romein werd
weggehaald: toen diens handen geen wapen meer konden vasthouden, was zijn
strijdlust in krankzinnigheid verkeerd en bij een poging om zijn vijand met
zijn tanden te verscheuren was hij bezweken.-
Zou
de leraar Latijn deze passage ter vertaling hebben voorgelegd zonder opvoedkundige
bijbedoeling?
------------------------------------------------------------------------
[Deze column bevat tekst van
Titus Livius, vertaald door dr. J. van Gelder. De voorname Livius beschrijft in
boek 22 van zijn “Ab urbe condita”
de slag bij Cannae. Op die augustusdag in 216 v.C. zouden de Romeinen de zwaarste nederlaag lijden uit
hun historie, 48.000 man werden afgeslacht tegen 6.000 man aan Carthaagse zijde
Een woord van dank hier aan wijlen
mijn leraar Latijn C.W.Wester. Hij was een classicus
die begreep dat de lessen een hoger doel dienden dan gezeur over
werkwoordsvormpjes.]

Meer columns van Manuel Nepveu
23 april 2011