De dappere schaakster
Ruurd Kunnen - 08 February 2013
Laurie Langenbach (1947-1984) heeft in de NRC columns over sport geschreven. Een aantal is gebundeld in Al dat zweet (1983). Wij, clubschakers, komen er ook in voor, in een verhaal over Marie De dappere schaakster, een alleenstaande vrouw die betere dagen heeft gekend. “O, ze zijn hard voor me geweest hoor, die heren van schaakclub! Ze hadden geen medelijden, ze hebben me flink te grazen genomen. Ik weet nog, in het begin, toen was er een heer, die heeft me al mijn stukken afgenomen, achter elkaar. Vreselijk was dat, ze stonden allemaal te kijken.” Inderdaad, zo doen wij dat. Maar Marie leerde snel. “Een maand geleden heb ik die kerel teruggepakt. Ik heb hem al zijn stukken afgenomen, één voor één. Je had zijn gezicht moeten zien!” Ongetwijfeld stonden wij weer allemaal te kijken, vol leedvermaak. Toch zijn wij geen echte rotzakken. “Weet je, voordat ik op de schaakclub kwam, had ik nooit veel respect voor mannen. Maar deze mannen, die hebben klasse! Niet dat ik... ik bedoel, het gaat allemaal heel formeel, hoor, ze geven me een hand voordat we gaan spelen, ze noemen me mevrouw, ze zijn allemaal getrouwd, het is heel netjes hoor, maar ik heb nog nooit zulke kiene mannen ontmoet. Het is niet kinderachtig wat daar gepresteerd wordt.” Dat klinkt goed, zult u denken, maar de cynische ondertoon kan niemand ontgaan. Als wij echt zo fantastisch zijn, waarom zitten er dan niet meer vrouwen op Promotie? Waarom hebben wij maar één Cissy? Waarom zijn er zo weinig vrouwen als Marie? Laurie Langenbach liet Marie zelf het antwoord geven: “Laatst zei de voorzitter tegen mij: ‘U bent wel dapper mevrouwtje.’ ‘Dat ben ik mijn hele leven geweest, meneer,’ zei ik tegen hem, ‘mijn hele leven.’” |