Erkenning
Manuel Nepveu - 30 March 2013
Schaken is voor verreweg de meesten van ons een onschuldige tijdpassering. De partijen die we spelen zijn we zelf een jaar na dato al wel vergeten en dat is niet zonder reden. Als we op een of andere manier onze kop boven het maaiveld uit willen steken, zullen we dat op ander gebied moeten doen. Op schaakgebied lukt ons dat niet. Ons streven naar erkenning moet uit een totaal andere hoek komen. De column “Wingewest”van oud-lid Theo Mooijman van 23 maart j.l. riep wat dit betreft even wat in mij boven, iets van zeer recente datum. Het toeval is de wereld nog niet uit... Groningen is de laatste maand in het nieuws geweest vanwege de krachtige plofjes die er recentelijk zijn opgetreden, veroorzaakt door het produceren van gas. Aan plofjes zijn de Groningers wel gewend, maar het was recentelijk een paar keer flink raak. Het werd landelijk nieuws. Op 2 maart stond er in de NRC een artikel met de provocatieve titel: “Die zwaardere beving zal er komen” van de hand van de wetenschapsjournalist Karel Knip. De auteur had gesproken met mensen van het KNMI – verantwoordelijk voor het registreren van plofjes – de NAM en het Staatstoezicht op de Mijnen. Ik las het artikel met meer dan gemiddelde interesse. Immers, ik had zelf onderzoek gedaan aan het vóórkomen van deze plofjes nabij productieplaatsen en ben daar met tussenpozen nog steeds bij betrokken. Over dit werk was ooit een artikel geschreven in een behoorlijk gerenommeerd tijdschrift. Zou dat terugkomen in dit krantenartikel? En ja hoor... Als zich in zo'n producerend veld al heel veel bevingen hebben voorgedaan, kunnen die statistisch gecorreleerd worden aan bepaalde reservoireigenschappen, zoals de drukafname in het gas op het moment dat de eerste beving optrad, de hoeveelheid kleine en grote breuken binnen het reservoir, of het stijfheidscontrast tussen het reservoirgesteente (….) en de afdekkende gesteentelaag erboven (…). Rob van Eijs, destijds TNO, inmiddels Shell, beschreef dit in Engineering Geology (2006). Wat er staat is technisch niet helemaal nauwkeurig, ik moet streng zijn. Maar goed, mijn hart ging in eerste instantie toch open toen ik het las. Alleen, even daarna maakte zich een katterig gevoel van mij meester. Het bericht was namelijk wat onvolledig. Journalistiek is het wel handig om alleen de naam van de eerste auteur te noemen, maar op het bewuste artikel stonden toch echt vijf namen, waaronder die van uw dienaar. Op z'n minst had er dus wel mogen staan dat Rob van Eijs dit samen met vier collegae had geschreven. Wat kinderachtig! Moet je je over zo'n kleinigheid nou katterig voelen? Wel, dit is geen kwestie van moeten, maar van voelen en dat is een emotie: iets voelt nu eenmaal zoals het voelt. En er bestaat geen “moeten voelen”. Hoe dan ook, de journalistieke omissie voelde als een gebrek aan erkenning, verdiende erkenning. Zeker voor iemand die weet dat zijn eigen intellectuele bijdrage aan het artikel zacht uitgedrukt niet verwaarloosbaar is geweest. Op dit moment besefte ik ook ineens waarom regelrecht plagiaat – hierboven dus nadrukkelijk niet aan de orde – zo ongelofelijk vervelend moet zijn voor de rechtmatige auteur(s). Je voelt je bestolen. Iemand pronkt met jouw veren, veren die je met verdomd intensief en hard werken hebt gepoetst. Als je geplagieerd wordt voel je je pissig, dat kan bijna niet anders. Dit alles kwam weer even naar boven toen ik Theo Mooijmans “uiterst Groningse” column las. Dank heer Theo! A propos, ik hoorde vandaag op het nieuws dat er in de Waddenzee meer gas geproduceerd mag worden, mits de bodemdaling per jaar niet boven de 6 mm uitkomt. Hoe kunnen ze dat in vredesnaam voorspellen? Voor u een vraag, voor mij een weet: daarover is in 2010 een prachtartikel verschenen in een prachtblad en ik was ditmaal de eerste auteur. Ik zie een (het?) toekomstig artikel in de NRC over dit intens boeiende onderwerp nu dan ook met het volste vertrouwen tegemoet... |