James Mason
Jan Willem Duijzer - 05 October 2014
"He is a jolly good fellow first and a chess player afterwards". In de korte biografie van James Mason (1849-1905) springt dit citaat er direct uit. Het is een mooie typering van de in Nederland vrij onbekende Mason, maar in het licht van zijn levensloop heeft het citaat voor mij toch een wrange bijsmaak. In 1861 emigreert een straatarme 12-jarige Ierse jongen naar Amerika, waar hij opgevoed wordt als James Mason. Zijn eigen naam en achtergrond laat hij achter zich; in de grillige 'melting pot' van de VS zijn die naam en afkomst geen aanbeveling. Het deert hem niet, zo lijkt het. Hij wordt journalist en maakt een stormachtige ontwikkeling door als schaakspeler. Op zijn 29e kiest hij - dan al kampioen van Amerika - voor een bestaan als profschaker en schaakpublicist in Londen. Succesvolle en ogenschijnlijk gelukkige jaren volgen. Na Steinitz groeit hij uit tot de nummer twee van de wereld, bejubeld en populair, ook in zijn geboorteland. Het grootste succes viert hij als schrijver van monumentale schaakboeken. De bekendste zijn: "The principles of chess" (1894) en "The art of chess" (1895). Als schaakpedagoog en -redacteur is hij voor het Engelse taalgebied Euwe en Bouwmeester in één persoon. "An unhappy childhood is a writer's goldmine", zeggen ze wel eens. Zou het voor Mason ook zo geweest zijn? Feit is dat zijn carrière in het slop raakt door stelselmatig hoog alcoholgebruik, ook tijdens het schaken. Toernooischaak geeft hij op. Zijn laatste jaren moet hij door een ernstige ziekte ook zijn schrijfwerk staken en rest hem geen bron van levensonderhoud meer. Zijn familie is hij in de diaspora kwijtgeraakt, voor zijn medische behandelingen moet hij bedelen bij schaakvrienden. Hij sterft zoals hij geboren is. In armoede. Waarom gedenk ik James Mason hier? Omdat zijn naam verbonden is met een bijzondere variant van het Koningsgambiet, met 3. Pc3. Het Mason-gambiet. In mijn eerste schaakjaren speelde ik het Koningsgambiet zoals zelfs Spassky het in die jaren speelde, met 3. Pf3 dus, maar in loop van de tijd ben ik daar mee gestopt. Het tegengif is gevarieerd en wijd verspreid en dan is de lol er gauw af. De laatste jaren speelde ik enkele keren de Mason-variant van het Koningsgambiet. Oude liefde roest niet. Al is een beter spreekwoord wellicht: het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Zeker ook gezien de afkeurende blikken die ik moet trotseren als ik na 3.....Dh4+ weer eens 4. Ke2 moet spelen. De bekendste zettenreeks is 1. e4 e5 2. f4 exf4 3. Pc3 Dh4+ 4. Ke2 d5 5. Pxd5 Lg4+ 6. Pf3 Pc6 7. Pc7+ met spannende verwikkelingen. Ik won tot nu toe drie van de drie keer met het Mason-gambiet, steeds tegen spelers van Promotieklasse-niveau, onder wie clubgenoot Gerhard Eggink. Geen schande voor hen, vind ik, want 3. Pc3 is een stuk minder slecht dan je zou denken. U bent gewaarschuwd. James Mason speelde zijn eigen variant maar één keer. Hij verloor. Hoe kan het ook anders? Immers: "He was a jolly good fellow first and a chessplayer afterwards". |