Zondag
Theo Mooijman - 16 November 2014
In de gemeentepolitiek was, voor de jongste wijziging van de winkelsluitingswet, de zondagopenstelling een ferm punt van politieke tegenstellingen. Niet als toeristische trekpleisters te beschouwen gemeenten waren gebonden aan wettelijk bepaalde maxima. Zo mochten bijvoorbeeld twee supermarkten in de gemeente op zondag open zijn. In de verordeningen mocht wel een strenger regime vastgesteld worden, maar geen soepeler. Er waren natuurlijk voorstanders van verruiming die vonden dat hun gemeente een toeristische trekpleister was, ook al kwamen er slechts verdwaalde toeristen. Gemeentebesturen hielden die boot af: een conflict hierover met de rijksoverheid zou zeker niet goed aflopen. Gemeenten hadden daarnaast de mogelijkheid twaalf koop-zondagen per jaar toe te staan. Dat deden ze dan ook, in overleg met de ondernemers. Een nieuw gevestigde supermarkt in mijn gemeente besloot die lijn niet te volgen en direct te starten met de wervende tekst “alle zondagen open”. Dat was uitdagend en kon 24 zondagen worden volgehouden (de laatste twaalf van het ene jaar en de eerste twaalf van het volgende jaar). Maar deze ondernemer was onverschrokken en bleef gewoon open. En hield dat vol totdat de zaak op een zondag met behulp van de sterke arm gesloten werd en hem ook het bedrag van de dwangsommen iets te gortig werd.
Tegenstanders van zondagopenstelling kwamen uit drie hoeken: de kleine ondernemers, de vakbondsmensen en de Christelijke partijen. Vanuit de sport-verenigingen werd niets vernomen. Daar was kennelijk geen vrees voor verlies van leden door de zondag-arbeid. De wijziging van de winkelsluitingswet heeft alle sluizen opengezet en gemeenten kunnen in hun verordeningen naar hartenlust openstelling toestaan, hetgeen in seculiere gemeenten dan ook geschiedde. Maar het gewenste effect bleef uit: in mijn gemeente zijn alleen de supermarkten op zondag open en beperken de andere winkels zich nog steeds tot de afgesproken koop-zondagen. Met als resultaat nog steeds een uitgestorven centrum op veertig zondagen. Maar het prettige gevoel blijft dat wij de vrijheid hebben en er geen beknotting meer is.
Al twaalf jaar organiseren wij in het najaar op zaterdag het Winkler Prins Jeugschaaktoernooi. Waarbij de laatste paar jaar bij de Grand-Prix cyclus is aangesloten. Het aantal deelnemers schommelde door de jaren heen tussen de dertig en de zestig. Het organiseren van zo'n toernooi kent eigenlijk maar één hobbel: een geschikte datum. We hebben te maken met drie factoren: de zaal moet beschikbaar zijn, de plek op de GP kalender van NOSBO en FSB moet vrij zijn en er moeten op die dag voldoende helpende handen aanwezig kunnen zijn. Vorig jaar konden wij die hobbel niet nemen en ging voor het eerst het toernooi niet door. In de stad Groningen werd eerder dit jaar voor het eerst op zondag een Grand Prix georganiseerd en dat liep qua aantal deelnemers prima. Mij werd voorgesteld te overwegen om ook naar de zondag te gaan. Bij de bond leefde al langer het idee dat de jeugd-toernooien te lijden hadden onder de concurrentie met de andere sporten. Ik vond het een uitstekend voorstel, maar ik ga daar niet alleen over.
Allereerst was het groene licht van de Scholengemeenschap nodig en de medewerking van de sleutel-houder die het alarm er af- en op moet zetten. En dan is het nog de vraag of de beoogde tafel-leiders en andere functionarissen zich op zondagen beschikbaar willen houden. En dan gaat het met name om de Protestants-christelijke medemens die op zondag tweemaal ter kerke gaan of kerk-musici. De kansen op andere belemmeringen zoals ploegendienst of deelname aan een teamsport zijn op zaterdag even groot als op zondag.
Tot mijn opluchting: iedereen was beschikbaar, niemand haakte af. En het kostte ook nog eens weinig moeite om een geschikte datum te vinden. Het toernooi werd een groot succes: een voor het Winkler Prins toernooi record aantal deelnemers: 64, het gouden getal van het schaken! De vrijheid hadden we al, het prettige gevoel is dat wij ons daar nu van bewust zijn. |