Opheffen dan maar? door Theo Mooijman
Theo Mooijman - 25 March 2018
De schaakclubs in de kleine steden in onze provincie hebben het moeilijk. De trend van neergang heeft zich in de jaren negentig ingezet en gaat voort. En dan niet alleen de teruglopende belangstelling van de jeugd voor onze sport, maar ook het ontbreken van aanwas. Sluipender wijze is bijna elke vereniging een ouderensociëteit geworden. Eén lid onder de vijftig, eentje van 51 en de rest boven de 65 jaar, zo is het bij mijn vereniging. Via een samenwerkingsverband met een naburige schaakclub is de externe deelname (gezamenlijke teams) al enige jaren gewaarborgd, maar het hart van de vereniging, de interne competitie, dat klopt niet meer zoals het zou moeten. Een week of vier geleden waren er, door diverse oorzaken, slechts vijf man aanwezig op de clubavond. Dus een zaal huren voor twee partijtjes en één speler die onverrichter zake naar huis kon. Op die avond werden de twee partijen even naar achteren geschoven. Eerst praten. Zo staan wij er voor. Dat kan zo niet langer. Wat heeft dit voor zin? Duidelijk werd ook dat het jarenlang in een klein kringetje twee keer per jaar tegen elkaar spelen niet meer aantrekkelijk werd gevonden. Je zou kunnen zeggen dat men op elkaar uitgekeken was. Er was een duidelijke behoefte aan nieuw bloed, aan nieuwe mensen, dat behoeft geen betoog. Tegelijkertijd was iedereen er van doordrongen dat aanwas er niet zal komen. Alleen als we kans zien een mannetje/meisje of zes aan jeugdleden langdurig aan ons te binden, is er overlevingskans. En dat langdurig binden, dat lukt ons al zeker twintig jaar niet meer. Geen enkele reden om te verwachten dat het nu opeens wel zou kunnen. Opheffen dan maar? Wat eenmaal weg is, blijft weg. Dat komt vrijwel nooit meer terug. Als er eind jaren tachtig geen energiek, deskundig en vasthoudend comité was geweest dat zich meteen nadat bekend werd dat de N.S. de niet meer gebruikte spoorlijn Stadskanaal-Veendam wilde opbreken, alles en iedereen mobiliseerde om dat te voorkomen, hadden wij nu niet de prachtige museumspoorlijn S.T.A.R. gehad. Al 25 jaar lang inmiddels! Uit de kerksluitingen weten wij dat zo'n 60% van de kerkgangers niet meegaat naar een andere kerk van de zelfde geloofsrichting. Die houden het voor gezien. Met zo'n hoog percentage kom je snel uit op 'the last church standing' in een regio. Schaakverenigingen hoeven dus niet te rekenen op de effecten van 'de een zijn dood, is de ander zijn redding'. Het rekken in de hoop dat een ander eerder het loodje legt, zal niet werken. Wat dan? Samenwerken, zou dat helpen? Alle regionale verenigingen hebben het zelfde probleem. Maar ,o jee! Die reisafstanden. Die worden in de externe competitie al als onaangenaam ervaren door velen. Met name door het doordeweeks laat thuis komen. Wij spraken af dat de penningmeester de ene naburige vereniging benadert en ik de andere. 'Dat is toevallig dat je belt' zei mijn collega voorzitter. ' Wij hebben gisterenavond in een ledenvergadering besloten om de vereniging op te heffen en geen der spelers wil overstappen naar een andere vereniging'. |