Ik ging dus het schaakkampioenschap van Bolivia winnen
Hans Meijer - 12 June 2010
"Ik ging dus het schaakkampioenschap van Bolivia winnen" door Hans Meijer Door in Samaipata de derde en laatste voorronde te winnen had ik me geplaatst voor het schaakkampioenschap van Bolivia 2010. Van mijn zoon Eric kreeg ik een mailtje waarin hij mij vroeg of hij nog wel gewoon met me in Cochabamba over straat kon. De handtekeningenjagers lieten me echter met rust en dat ondanks een groot artikel plus mooie foto in Los Tiempos. Wel belde een van mijn vrienden, die nog dacht dat ik in Nederland zat en er door dit artikel achter kwam dat ik al weer terug was, me op. Waar de krant al niet goed voor is. Op welke leeftijd zit je als schaker eigenlijk aan je top? Die vraag drong zich aan mij op toen ik me realiseerde dat ik niet alleen qua rating (2252) maar ook qua leeftijd (61) de ranglijst van de twaalf schakers die aan het kampioenschap deel zouden nemen aanvoerde. Een paradoxale situatie want het een, de hoogste leeftijd, lijkt het ander, de hoogste rating, uit te sluiten. Hoe lagen mijn kansen? Zou ik kampioen van Bolivia kunnen worden? Optimistisch als altijd dacht ik van wel. In "De Koning" (1987) gaat Hein Donner (1927) in enkele stukjes in op het fenomeen van de oudere schaker. In "Vijftig" staat hij stil bij de situatie waarin hij terecht gekomen is - "Een tijdje geleden bood ik mijn diensten aan als commentator van het Hoogoventoernooi.". In "Leeftijd" klinkt hij nog hoopvol - Ossip Bernstein (72) won in 1954 voor Miguel Najdorf (44) in Montevideo een lang en zwaar toernooi. - maar in "Zwanezang" is hij de hoop voorbij - "Is dit nu het einde? Loopt het zo met een schaker af? Blijft er dan niets over?". Waar sta ikzelf eigenlijk? Ik speel de prachtige partij die Bernstein van Najdorf wint na. Een voorbeeld dat navolging verdient. Een blik op de lijst met de top 100 schakers van de wereld van 1 mei 2010 bevestigt dat er voor een schaker na zijn veertigste weinig eer meer te behalen lijkt. Als we ons tot de leeftijd van 41 jaar beperken dan blijkt dat er slechts zeven schakers in de top ouder zijn en als we de grens bij 45 jaar leggen zijn het er nog maar twee, namelijk Alexander Beliavsky (1953; nummer 91) en Yasser Seirawan (1960; nummer 93). De leeftijd van een top 100 schaker ligt in het algemeen ergens tussen de 20 en de 40. Wereldkampioen Vishnawathan Anand is nu 40 jaar oud en balanceert op het randje. Garry Kasparov zag de bui hangen en stopte op 10 maart 2005, toen hij 41 jaar oud was, met het actieve schaak. Zal Anand zijn voorbeeld volgen of zal hij in het voetspoor treden van dat andere grote natuurtalent Vasily Smyslov? Ik verwacht het laatste. De onlangs overleden oud-wereldkampioen Vasily Smyslov is mijn grote voorbeeld. Als Smyslov (63) en Garry Kasparov (20) in maart 1984 in Vilnius, Litouwen, op weg zijn naar de speelzaal om elkaar het recht om Anatoly Karpov om het wereldkampioenschap uit te dagen te betwisten is hij verreweg de oudste schaker ooit die op dat hoge niveau meestreed. Smyslov, die eerder Zoltan Ribli en Robert H?bner trof, zou het tegen Kasparov, die Alexander Beliavsky en Viktor Korchnoi verslagen had, niet redden. Kasparov was op dat moment de betere schaker. Ik ga mij aan Smyslov spiegelen. Wat hij kon moet ik ook kunnen. Van de twaalf deelnemers aan het schaakkampioenschap van Bolivia hadden er vier een leeftijd van tussen de twintig en veertig. Zij legden beslag op de eerste, derde, vierde en negende plaats hetgeen de theorie dat de optimale schaakleeftijd in dat gebied ligt bevestigt. Ik vond mijn naam met vier punten uit elf partijen in de eindranglijst terug op de tiende plaats. Een hogere plek was zeker mogelijk geweest maar deze keer kwam het er niet van. Volgend jaar onderneem ik een nieuwe poging. Dan moet het lukken. Per slot van zake ben ik dan nog steeds jonger dan Smyslov in 1984. |