Een mooie nederlaag
Jan de Zeeuw - 09 December 2006
"Een mooie nederlaag" door Jan de Zeeuw 'Ik heb al te lang niet meer geschaakt', dacht ik in mijn zojuist betrokken Eindhovense hotelkamer. Het was mei 2006. Mijn Brabantse klus zou nog wel even duren, dus het werd tijd om te integreren. En omdat je niet altijd in de kroeg kunt zitten, werd ik lid van schaakvereniging Woensel Lichttoren Combinatie, WLC. De voorzitter heette mij welkom in een rokerige ruimte en vertelde mij dat ik geluk had. Er was die avond een rapidtoernooi en ik kon gelijk meedoen. Ik werd ingedeeld in de tweede van de drie tienkampen en ik ontmoette mijn eerste tegenstander. Dat was een kleine man van in de zestig met een hangbuik en plakkerig haar dat hij slordig over de kale gedeeltes van zijn schedel had gedrapeerd. Zijn ontevreden gezicht weerspiegelde generaties van onverwerkt chagrijn. Hij begroette me zonder me aan te kijken. Het spel begon en al snel werd duidelijk dat ik routine te kort kwam. Ik stond binnen de kortste keren verloren met ook nog eens veel minder tijd op de klok. De man voerde zijn zetten uit met harde klappen en een verbeten trek om de mond. Onnodig snel bovendien, want bij een onreglementaire zet heb je in deze discipline verloren. En zo gebeurde het. Toen ik hem erop wees, verwachtte ik een onwelwillende handdruk. In plaats daarvan mepte hij met een gegromd 'godverdomme' een weerloze pion door de zaal. Een woeste provincie, Brabant. Uiteindelijk haalde ik vierenhalf uit negen in die middelste groep. Ik bleek gelukkig nog steeds een redelijke clubschaker te zijn, maar de lol was eraf. Een van mijn nieuwe collega's was Martijn en met hem kon ik ook schaken, dus ik zegde WLC op. We schaakten in de kroeg en ik won altijd. Wel speelde ik tegen een ongeslepen diamant die een enorme dosis hardnekkigheid aan de dag legde. Maar toen we ons weer eens achter de stukken zetten, had ik nooit gedacht juist die partij te verliezen. Martijn begon slechter dan ooit en mijn aandacht verslapte. Het kwam gelijk te staan, dus stond ik weer op scherp. Niks aan de hand zou je zeggen, maar soms zijn er vreemde krachten in de sport. Hoezeer ik mijn krijgsmacht ook instrueerde, mijn stukken bleven elkaar maar voor de voeten lopen. Het ging van kwaad tot erger. Ik reikte hem de hand, zo'n twintig zetten voor het onvermijdelijke mat. Huisschakers spelen evenwel meestal door tot mat, dus Martijn keek me aan met een mengeling van achterdocht en hoop. 'Wat doe je, geef je op?', vroeg hij haast ongelovig. Ik zei ja. Nooit heb ik een gelaatsuitdrukking zo snel zien veranderen. Zijn ogen werden orgastische vreugdevuren, hij kreeg de strakke mond van een krijger die zojuist had gedood. Dat is schaken. We praatten na. 'Ik heb wel eens van John van der Wiel gewonnen', zei ik. 'En die heeft wel eens van Jan Timman gewonnen, en die heeft wel eens van Gary Kasparov gewonnen'. Een gelukzalige grijns van iemand die je mag, is mooi. |