Schaken of dammen
Jan de Zeeuw - 09 October 2004
"Schaken of dammen" door Jan de Zeeuw Het is een voorrecht een schaker te zijn. Mijn vader heeft me met veel educatieve onzin lastiggevallen, maar ik ben hem nog steeds dankbaar voor het feit dat hij me ooit heeft leren schaken. Goed, hij heeft me ook leren dammen, in een veel vroeger stadium zelfs, maar toen hij met een schaakspel aankwam, begreep ik dat er iets belangrijks te gebeuren stond. Dammen, dat kon zelfs mijn grootmoeder. Ik versloeg haar wel eens tijdens logeerpartijen, terwijl mijn grootvader met een schaakspel en de schaakrubriek uit de krant aan dezelfde tafel in de weer was. Aan zijn gefronste blik te zien, was het een veel diepzinniger activiteit dan waarmee zijn vrouw en kleinzoon zich bezighielden. Hij begreep ons gepeins, wij het zijne niet. Ik had nog de leeftijd waarop ik dacht dat mijn vader alles kon, en ik vroeg hem dus mij het spel te leren. En dat deed hij. Ik stortte mij op het spel, maar pas na een flink aantal jaren openingstheorie, schaakavonden op de club en het naspelen van grootmeesterpartijen kwamen er momenten van reflectie. In die tijd tafeltenniste ik ook. Als een potje pingpong verloren had, gaf ik mijn tegenstander vrolijk een hand. Naar huis terugfietsend was ik meestal goedgehumeurd, lichaamsbeweging doet een mens goed, tenslotte. Naar huis terugfietsen na een nederlaag achter het bord was iets heel anders. Als ik binnenkwam, wisten mijn ouders gelijk hoe laat het was. Later ging ik achtereenvolgens zaalvoetballen, golfen en squashen, drie verschillende sporten die de ontspannen nabeschouwing achter een biertje met elkaar gemeen hadden. Gewonnen of verloren, dat maakte nauwelijks uit. Terwijl elke zojuist be?indigde schaakpartij vrijwel zonder uitzondering felle vreugde of barre troosteloosheid teweeg bleef brengen. Schaken doet ertoe, dat had ik indertijd goed gezien. Dus niet alleen afgezet tegen het damspel, maar tegenover zo'n beetje elke andere sport bleef het schaken fier overeind. Nu is het matzetten van de vijandelijke koning natuurlijk wel iets anders dan een balletje in een gaatje mikken, dus dat laatste begreep ik wel. Maar waarom was schaken eigenlijk superieur aan dammen? Die vraag begon me te intrigeren. Door de jaren heen had ik een een dammer leren kennen, en die beleefde zijn sport met dezelfde intensiteit als ik de mijne. Wel was het een nogal saai iemand. Zou dat misschien de sleutel tot de oplossing zijn? Als dammers saai zijn, is dammen dat ook. Dammen is waarschijnlijk moeilijker dan schaken, maar het is een spel voor boekhouders en rekenmeesters. Wie de meeste stenen overhoudt, wint. Dammen is ten diepste een materialistisch spel, waar het schaakspel een toonbeeld is van romantiek en raffinement. De schaker houdt van het grote gebaar, een offer beantwoordt hij met een tegenoffer, met als doel het Hoogste te bereiken. Als dammers dat doen en de competitieleider ziet het, dan worden ze meteen teruggezet naar de laagste klasse. Een geslaagd offer is bijna vergelijkbaar met een beantwoorde liefde. Van dit eigenhandig verworven inzicht heb ik enige tijd kunnen genieten. Ik dacht dat mijn appreciatie van het schaakspel een puur persoonlijke was. Totdat ik in de gaten kreeg dat iedereen er zo over dacht. Een fotograaf die mij over zijn professie wilde vertellen, stak van wal met: "Fotograferen is net schaken." Het was ondenkbaar dat hij hier "dammen" had gezegd. Voetbalcommentatoren hadden het zo nu en dan over "schaakvoetbal". Dat was weliswaar denigrerend bedoeld, maar het woord "damvoetbal" kwam nooit over hun lippen. Jehova's Getuigen waarschuwden in geschrifte voor het schaakspel. Over dammen geen woord. Commercials uit de wereld der IT toonden regelmatig schakers, nooit dammers. Het is mooi te weten een denker te zijn, en geen rekenaar. Maar troosten zal het me niet, als ik weer eens verloren heb. Want dan weet ik tevens dat ik als denker tekort ben geschoten. |