Geluidsoverlast
Max Toxopeus - 19 June 2004
Geluidsoverlast door Max Toxopeus Terwijl ik dit stukje schrijf is het hoogzomer. Het is goed toeven in de tuin en aan de waterkant. De bloemen geuren, de bijen zoemen en de geluiden dragen ver. Dit laatste is echter in deze verwilderde tijden van discodreun en rap-herrie zelden aangenaam, maar we hebben geleerd er mee te leven. Moeilijker is het te wennen aan het feit dat we ook in ons schaakhonk in de Olympus met overlast van ondefinieerbare maar buitengewoon storende geluiden te maken hebben. Als ik schrijf 'geluiden' hanteer ik een eufemisme. Soms schijnt het alsof een neerstortende meteoriet dwars door het dak en het plafond onze met geniale zetten opgebouwde winnende stelling uit elkaar zal slaan, soms ook vragen wij ons verschrikt af of fundamentalistische moslimbroeders met een bomaanslag ons hun rechte shariaanse pad op willen dwingen, en ook schijnt zo nu en dan een goed-vaderlandse volksdansgroep met een klompendans ons denkritme te willen ontregelen. Verbaasde, maar vaak ook verwijtende blikken van spelers van bezoekende verenigingen, die denken dat er kwade trouw in het spel is en dat we een vendel Helle-Demonen ingehuurd hebben om te trachten de concentratie te verstoren teneinde op slinkse wijze de punten in de wacht te slepen, zijn lanzamerhand gebruikelijk. De beheerder van de Olympus is ongetwijfeld van goeden wille maar ook hij is gebonden aan contractuele verplichtingen ten aanzien van verenigingen die het maken van herrie in hun vaandel hebben geschreven. E?n en ander heeft het bestuur gedwongen mogelijkheden te overwegen onze thuisbasis te verleggen.Terecht, naar mijn mening. Als ook uw stukjesschrijver weer eens verschrikt achter zijn bord omhoog schiet als vlak boven zijn hoofd een gewichtheffer zichzelf overschat en een voor hem veel te zwaar gewicht poogt te heffen, komt er, na het geestelijk evenwicht hervonden te hebben, een herinnering boven. De herinnering heeft betrekking op een gebeurtenis tijdens de dagen van Olim toen Euwe president was van een gezaghebbende Fide, toen ook grootmeesterlijke broodschakers, ondanks de revolutionaire gedragingen van wereldkampioen Fischer in 1972 te Reykjavik, nog probeerden heer (jasje, dasje) te zijn, toen er een goed georganiseerde aanloop naar de uitdaging van een universeel erkende wereldkampioen bestond en toen ondergetekende nog wel eens in de KNSB-competitie mocht uitkomen voor het tweede van de toentertijd roemruchte Rotterdamse sv Spangen. Ik bedenk dan dat als wij, recre?rende amateurs, ons al het bloed onder de nagels zitten weg te likken van ergernis bij die externe pestherrie, wat er dan wel niet heengegaan moet zijn door de voor hun inkomsten knokkende beroepsschakers tijdens de hierna volgende gebeurtenissen. Het is 1977, mijn laatste jaar in Rotterdam voor verhuizing naar Zoetermeer, het (toen nog) nieuwe, frisse polderdorp in het Groene Hart. Met vele Rotterdamse schaakmaten keken we uit naar h?t schaakevenement van dat jaar, de kandidatentweekamp tussen de Hongaarse grootmeester Lajos Portisch en de Deense grootmeester Bent Larsen. Na veel vijfen en zessen en dank zij de bemoeienis van Euwe en de sponsoring van de verzekeringsmaatschappij Amev, waar clubgenoot Bollerman ziitting had in de Raad van Bestuur, was Rotterdam de eer te beurt gevallen de tweekamp te mogen organiseren. Zelf was ik ook marginaal bij de organisatie betrokken om wat loopjongenswerk te verrichten. De tweekamp zou grotendeels plaats vinden in de dakfoyer van De Doelen, het nieuwe Rotterdamse congres- en cultuurcentrum. Euwe had de dakfoyer van het gebouw geinspecteerd tijdens een repetitie van het Rotterdams Philharmonisch Orkest en had geoordeeld dat de ruimte voldoende geluiddicht was. Eind februari, op een zatermiddag, ving de tweekamp aan. Op hetzelfde tijdstip waren echter ook bussen vol soldaten van het Leger des Heils bij De Doelen aangekomen maar die hadden niet de bedoeling de schaaktweekamp bij te wonen. Meteen na de opening van de eerste partij, na een zet of tien, begon in het gebouw een grootscheepse muziekuitvoering van het heilsleger. Honderdkoppige jubelende koren, schetterende hoornblazers, cymbalisten en triangelisten barstten los om kond te doen van de Blijde Boodschap en dat was andere koek dan een repetitie van het RPhO. Na twaalf zetten werd de klok stilgezet. Gespannen overleg volgde en tenslotte werd de gehele entourage verhuisd naar een kantoor van een verzekeringsmaatschappij. Degene die het meest gelaten en schijnbaar rustig de situatie over zich heen had laten komen, Larsen, bleek toch zo aangeslagen dat hij zich in die eerste partij kansloos liet wegspelen. Een incident, dacht men toen nog maar tijdens de tweede partij werd de serene stilte wederom verstoord door een spontaan in gezang uitbarstende bejaardenbijeenkomst en ook die lieten zich niet zo maar het zwijgen opleggen tijdens hun jaarlijkse toogdag. Van de directie van De Doelen werden daarop maatregelen geeist om de kans op ook maar de geringste geluidsoverlast verder uit te sluiten. De geschrokken en goedwillende directie maakte daarop van het gebouw een soort geluidsarme vesting. De derde partij werd dan ook inderdaad in een werkelijk steriele stilte gespeeld. Men kon de klokken horen tikken. Op de schoteltjes van de koffiekopjes waren papiertjes gelegd om mogelijk gerinkel van het drinkgerei uit te sluiten, de lift mocht nauwelijks meer worden gebruikt en een groot gedeelte van de toiletten in het gebouw was afgesloten omdat de doorspoeling in de foyer hoorbaar was. Zelfs gaat het apocriefe verhaal dat de directie had voorgesteld op de spijskaarten allerlei peulvruchtvarianten te schrappen teneinde geluidshinder veroorzaakt door overmatige gasvorming bij spelers, arbitrage en leiding te voorkomen. En toen, tijdens deze onwerkelijke stilte barstte plotseling, halverwege de derde partij, het grote orgel van De Doelen los met zware en doordringende Bachklanken....! De vaste organist had zelf een sleutel van de hermetisch afgesloten grote zaal van het gebouw en dat wist de directie niet. De man was een beetje wereldvreemd, las geen kranten, was geen schaker en had geen flauwe notie van het aan de gang zijnde schaakevenement. Er ging een half uur overheen voordat de organist er van overtuigd kon worden dat zijn oefenschema aangepast diende te worden. Nog haalden de beide opponenten glimlachend de schouders op en nog gingen ze onverstoorbaar door met de strijd achter het bord. De geplaagde directie van de Doelen kon het strakke, geluidsarme regime natuurlijk niet al te lang volhouden. Er waren meer reserveringen en verplichtingen en daarom moest er bij volgende partijen en spelhervattingen nu en dan uitgeweken worden naar andere ruimten in het gebouw. De vijfde partij zou echter wel weer gespeeld worden in de dakfoyer maar op het laatste moment zag de directie daar weer problemen oprijzen en besloot eigenmachtig de spelers naar de kleine zaal te verwijzen. Dit was het breekpunt. De spelers die zich tot dan zo begripvol en laconiek haden opgesteld begonnen te steigeren. Zo wilde Larsen anders ingestelde verlichting, en Portisch juist niet of net andersom. Daarop werd de vijfde partij uitgesteld. Het publiek keerde teleurgesteld huiswaarts, de organisatoren waren boos op de directie van De Doelen en de spelers waren kwaad op de organisatoren. Met name Euwe kreeg van Larsen verwijtende opmerkingen aan te horen. Nadat de directie beloofd had werkelijk alles te zullen ondernemen om de rest van de tweekamp vlekkeloos te doen verlopen werd een nieuw speelschema opgesteld en werd de tweekamp hervat en waarachtig, het ging daarna goed, tot een incidentje tijdens de laatste partij, maar daar was de directie van De Doelen niet debet aan. De tweekamp die begonnen was met muzikale begeleiding van het Leger des Heils had ook een muzikaal slot. Voor de laatste partij (en dat was te voren ook zo afgesproken) was De Doelen niet beschikbaar en moest er worden uitgeweken naar een schoolgebouw in het centrum van Rotterdam. Op zich ook een uitstekende locatie maar het was zaterdagmiddag en de zaterdagen zijn de dagen dat straatorgels het winkelend publiek plachten te plezieren. De feestelijke klanken dartelden frivool en vrolijk de speelruimte binnen. Bijkans overspannen rende de toernooidirecteur naar buiten, drukte de manser een tientje in de handen en slaagde er in de orgelbaas er van te overtuigen dat honderd meter verderop een veel gunstiger locatie was om de mensen hun beurzen te laten trekken. Larsen bleek door alle commotie toch zodanig uit zijn doen geraakt dat hij na de zesde partij er weinig meer van bakte en de match verloor met 6?- 3?. Zijn gram over de onregelmatigheden haalde hij in de Kopenhaagse krant 'Extrabladet' waarvan hij vaste medewerker was. Hoewel hij meteen na de tweekamp verplichtingen elders had (een toernooi in Geneve) bleef hij toch tot na de huldiging van Portisch en toonde zich ook in dat opzicht een heer en een goed verliezer. In de tussentijd heb ook ik een vluggertje met hem mogen spelen. Tien minuten voor mij, vijf voor hem. Ik heb mijn tijd niet opgebruikt. Als ik me goed herinner stond ik al na drie mninuten mat. Tussen Euwe, die de dakfoyer van De Doelen goedgekeurd had, en Larsen is het echter nooit meer helemaal goed gekomen. |