Schaken in de Nederlandse literatuur

een zeer korte bloemlezing

Door Henk Alberts

 

Tijdens de laatste ledenvergadering verraste Chris Schoon ons met een toespraak (zie pagina 24 - red.), welke hij beëindigde met het voorlezen van een stukje uit W.F.Hermans, ‘uit talloos veel miljoenen’. Kern van de voorgelezen pasage (als ik het goed heb onthouden): de middelmatige schaker is nuttig. Zijn nut bestaat daarbij uit het feit dat als er geen middelmatige schakers zouden bestaan, de sterke schakers niet zouden kunnen bewijzen hoe sterk ze wel zijn. Na dit mooie citaat sloten we na nog wat andere agendapunten de vergadering en gingen verheugd snelschaken; hoezee, wij zijn dus nuttig (alleen Bernard moet misschien gaan uitkijken, maar die was toch niet aanwezig.)

 

Daar tegenover vond ik nog één andere tekst van Hermans waarbij hij het op dat moment weer wat anders tegen de zaak aankeek. Op de vraag "Het is natuurlijk een klassieke vraag: Waarom schrijf je?" komt Hermans met het antwoord:

- Ik antwoord daar weleens op: Als een voetballer geïnterviewd wordt dan vraagt men niet: Waarom voetbalt u, of als een schaker geïnterviewd wordt: Waarom schaakt u? Schaken... ik vind het erg vreemd dat ze dit heel speciaal aan schrijvers vragen en niet aan schakers, omdat schaken een nog futielere bezigheid is dan schrijven. Een schaakpartij is nog vluchtiger dan muziek. Want iemand kan wel twintig keer hetzelfde muziekstuk spelen, maar niet twintig keer dezelfde schaakpartij. (uit Hollands Maandblad 19, 1978, nr. 365, april]

 

Nog twee citaten van W.F.Hermans dan: 'Zo is het,' zei de barman en schoof een borrelglas naar voren als een schaakstuk... De barman liep weg en deed een eindje verderop een paar nieuwe zetten in de simultaanpartij tegen de dorst. (Willem Frederik Hermans, Ik heb altijd gelijk, pag. 68 en 69)

 

En nog een ander citaat wat best bij de vergadering gebruikt had kunnen worden:

Zondag 2 juni. Een tafelpraeses is een schaakspeler, hij ordent de aanwezige krachtlijnen en maakt er een aardige stand van. Maar als er geen stukken meer op het bord staan, is hij machteloos. (Godfried Bomans, Dagboek 1957, pag. 768)

 

Met Godfried Bomans noem ik een schrijver die zeer veel over het schaakspel geschreven heeft. Bomans was een verwoed schaker, die jarenlang prominent bij het (toen nog) Hoogovenschaaktoernooi in Beverwijk heeft rondgelopen en daar veel observaties over heeft opgeschreven.  

Daar wandelde Godfried Bomans rond en kwam dan van alles tegen, zoals redacteurs van schoolbladen, vol met ideeën en sproeten. Hun meest gestelde vraag is deze: waarom schaakt u eigenlijk? … Mensen, die niet schaken, kijken tegen de volgende paradox aan: zij zien iemand, die vermoeid is, doordat hij een stuk geschreven of een lezing gehouden heeft, urenlang ingespannen nadenken en na afloop verkwikt opstaan. Hoe kan dat? Is dat nu ontspanning? Jazeker. De inspanning geschiedt namelijk op een terrein, dat geheel en al verschilt van het gebied, waarop men tevoren moe geworden is. Men herstelt zijn energie door deze te verleggen naar een totaal nieuwe sector. … Alle spelen hebben dit met elkaar gemeen, dat er geen voeling is met de wereld daarbuiten. Men trekt zich een ogenblik uit het leven terug. (Godfried Bomans, Waarom schaakt u eigenlijk?, Werken IV, pag. 442)

 

In dit toernooi werd ik vereerd door twee bezoeken. De eerste was Donner. Hij wachtte op mijn zet en liep toen meteen door, met de ogen naar het plafond geslagen, zoals iemand doet wiens leed te groot voor deze aarde is. Barendregt maakte het nog erger. Hij kreunde. Hij liep ook haastig weg alsof de smart niet langer te dragen was… Ik word opeens zó wanhopig, dat het me niets meer schelen kan en in die uiterste vertwijfeling vind ik uit louter roekeloosheid de zetten die de situatie weer reden. Ik denk dan: aan welke zet heb ik tot nu toe nog helemaal niet gedacht? En die doe ik dan. Vaak blijkt dit een meesterzet te zijn. (Godfried Bomans, Schaken in Wijk aan Zee, nagelaten werken 2, pag. 153)

Van Godfried Bomans zijn een aantal foto’s waar hij achter een schaakbord zit bekend. En Godfried Bomans had ook een eigen tijdschrift "Godfried" genaamd. Op de voorpagina van dit tijdschrift heeft jarenlang een foto gestaan, niet van Godfried Bomans zelf, maar van Max Euwe lezend in dit blad. Euwe zijn gezicht staat een beetje somber, wat afgunstig. 'Ik schaak dan wel beter dan Bomans', ziet u hem denken, 'maar een eigen blad, nee dat heb ik weer niet, hij wel ...'

 

Laat ik ook nog een kort partijtje van Godfried Bomans tegen Max Euwe opnemen:

Wit: dr. Max Euwe   Zwart: dr. Godfried Bomans

1. e4 e5  2. Pf3 Pc6  3. Lb5 a6  4. La4 Pc6 

Dit alles is gewoon, orthodox Spaans. Geen van beide meesters verlaat de gebaande paden. Maar dan komt Euwe met een nieuwtje:  5. Ns9!

Weinig gebruikelijk en daarom angstaanjagend. Zwart dacht een ogenblik na en gaf toen dit doeltreffende antwoord:  5. ... G.B.r7!!!

Is het niet verbluffend van eenvoud? Dat kan ik ook, hoor ik de ongeschoolde lezer al zeggen. Jawel, maar kom er maar eens op! Euwe bleef nog een vol uur naar een oplossing zoeken en gaf toen op. Een aardig voorbeeld, hoe een partij niet lang behoeft te zijn om toch vol bekoring te zitten. (Godfried Bomans, wat denkt een meester er van? Uit adviezen van een oude rot, pag. 53)

 

euwe01

 

Op 21 december 1971 was speelde Godfried Bomans zijn laatste schaakpartij bij de  Bloemendaalse schaakclub. Het lukte niet erg die avond. In zijn laatste schaakpartij bood hij tot twee keer toe remise aan. Hij had het warm, deed zijn boord los en verdween. Met de auto wist hij zijn huis nog te bereiken. Kort na middernacht overleed hij aan een hartaanval. De schrijver was uitgeschaakt.....

 

Jan Hein Donner, een ‘schrijver’ die regelmatig met citaten in ons clubblad verschijnt werd hierboven al genoemd. Van Donner zijn er een aantal (vrijwel niet te lezen) boeken, waarin hij ‘probeert’ zijn goede vriend Harry Mulisch te verklaren. Gek genoeg zijn er van Mulisch in zijn boeken vrijwel geen schaakfragmenten te lezen. Slechts de volgende valt mij in (en zal Donner niet onverdeeld leuk gevonden hebben):

Dit kwam mij bekend voor. Ik ben acht jaar getrouwd geweest met een schaak-meester, die mij een paar keer heeft verteld (alsof één keer niet genoeg was) dat hij soms drie kwartier aarzelde over een zet, alle varianten doordacht,

- maar als hij dan zeker was van zijn zaak en het betreffende stuk aanraakte, waarmee hij dus verplicht moest zetten, wist hij dat het verkeerd was en dat hij de partij zou verliezen, en daarmee soms de hele match. Het ziet er dus naar uit, dat in een ondeelbaar ogenblik een daad meer inzicht verschaft dan een langdurig denkproces. (Mulisch, Het theater, de brief en de waarheid, pag.76/77)

 

Een andere actieve schaker/schrijver was de Dortse dichter Cees Buddingh. Van hem zijn zeer veel schaakcitaten bekend. Hieronder een kleine selectie:

 

Zo te lezen heeft Fischer een enorme blunder gemaakt. Ja, al laat je zeshonderd keer een ander schaakbord timmeren en achtentachtig keer het licht veranderen en tien of twintig of honderd rijen toeschouwers verwijderen: het moet toch uit dat kleine bolletje komen dat daar boven op je schouders staat. (C.Buddingh, En in een mum is het avond, pag. 35)

 

De politiek is als een soort doorlopend gambietspel op het schaakbord: er wordt telkens wat weggegeven: een pion, nog een pion, een kwaliteit, soms zelfs een vol stuk - in de hoop daardoor voordeel te behalen. Maar schakers weten dat niet alle gambietspelen gunstig aflopen. Er zijn er zelfs die als 'ongezond' of 'zeer ongezond' te boek staan. (C.Buddingh, En in een mum is het avond, pag. 136)

 

Ik ben wel een speler - er zijn weinig spelletjes die me niet interesseren - maar beslist geen gokker. Zelfs achter het schaakbord zeg ik, met Tarrasch: 'Opfern ist gut; nicht opfern ist besser.' (C.Buddingh, in Kerstmis zal ik eenzaam vieren, Dagboekenbladen & brieven, pag. 43)

 

Ik moest denken aan het antwoord dat Tal eens gaf toen men hem vroeg of hij nog wel eens iets anders deed dan schaken, -'Ja.'-'Wat dan?'-'Denken aan schaken.'- Die bezetenheid heb ik nooit kunnen opbrengen, zelfs niet voor de poëzie. (C.Buddingh, Dagboeknotities 1967-1972, pag. 56/57/58)

 

Wat is schaken toch mooi, als je wint. Ja, als je niet wint, kan je altijd nog denken dat je eigenlijk had moeten winnen of ten minste remise had moeten maken, als er niet een belachelijk ongelukje was gebeurd. (C.Buddingh, Dagboeknotities 1976)

 

Hij had er duidelijk zwaar de pest in dat hij deze partij verloor - en daarom denk ik er nog altijd met dubbel plezier aan terug. (C.Buddingh, Dagboeknotities 1976)

 

Overigens, de oudst bekende schaakpassage in de Nederlandse literatuur is ongetwijfeld de ridderroman 'Walewein' een handschrift uit 1350 van de hand van de dichters Penninc en Vostaert. (Deze ridder Walewein belooft koning Arthur dat hij voor hem het zwevende schaakbord (van zilver en ivoor) zal veroveren. In deze queeste (speurtocht) brengt die belofte hem van het ene avontuur in het andere, maar uiteindelijk komt het allemaal voor elkaar.) Dit verhaal inspireerde later Louis Couperus tot zijn roman 'Het Zwevende Schaakbord' (1917).

 

Een volgende schrijver die zich in zijn werk veel met schaken heeft bezig gehouden was Multatuli. Multatuli kon in zijn omgeving weinig tegenstanders vinden om tegen te schaken. Wel zijn van hem een aantal correspondentiepartijen bekend. Een paar van zijn schaakcitaten:

 

Ik schaak, en redelijk goed. In plaats van mijne zetten te beantwoorden, gooit men gedurig het bord om, en dwingt mij de stukken op te zoeken. (Multatuli, Liefdesbrieven, pag. 258, Brieven aan Mimi, 27 Juli 1863)

 

Zooals ik reeds zeide, men beantwoordde mijn zetten niet, maar wierp 't bord om, zoodat de stukken wegrolde in den modder van de dagelijksheid waarin ik niet thuis ben. Ik apprecieer die taktiek als doeltreffend, hoe onedel dan ook, want ik erken dat het rondspartelen in 't slijk der gewone dingen mij afmat en ontmoedigt. (Multatuli, Liefdesbrieven, pag 281, Brieven aan Mimi, 30 Juli 1863)

 

hij schaakt niet omdat hij niet voor zijn plezier en zonder bezoldiging wil gaan zitten denken,… (Multatuli, Liefdesbrieven, pag.19, Brieven aan Everdine, 8 Oktober 1845)

 

En tenslotte nog wat los spul. Omdat het zo leuk is:

 

De dokter zegt, er moet nu tien pond af. Hij zegt: als de vijand komt moet je de benen kunnen nemen. Hij zegt: kerel, ga eens iets aan sport doen. Ben ik gaan schaken. Ik krijg er wel de zenuwen van. Ik speel net als die Fischer. Open altijd met E4 en sluit met S5. (Fons Jansen, Wat ik zeggen wilde, pag. 178)

 

...weet je...ik vind het leven zo ongelofelijk bizar, het is net een schaakspel met verkeerde stukken en veel te veel velden, het is net of je moet schaken op een dambord. (Maarten 't Hart, Het woeden der gehele wereld, pag. 82)

 

Hij wist niet wat hij zonder sigaretten of wat hij zonder schaken moest beginnen. Hij schaakte om de zinnen te verzetten en rookte om de zetten te verzinnen. (Kees Torn, Pat, pag. 78)

 

Maar dat schaakbord bleef toch verdacht. Hij was toch geen intellectueel of iets dergelijks? (Gerard Reve, Het boek van violet en dood, pag. 25)