"De berserkers onder de schakers" door Hans Meijer

Het artikeltje van Frits Hoorweg ‘Zijn de Lewis chessmen Schots?’ dat in december 2009 op deleunstoel.nl verscheen herinnerde me aan een eigenaardige opmerking die ik jaren geleden in mijn favoriete schaakboek ‘The Oxford Companion to Chess’ van David Hooper and Kenneth Whyld (1992) over deze schaakstukken tegenkwam. Achter het lemma ‘Lewis Chessmen’ schrijven ze: De pionnen zijn abstract en zien er uit als gedecoreerde grafstenen. Alle stukken stellen mensen voor met gelaatsuitdrukkingen die variëren van somber naar woedend. Sommige torens laten mannen zien die in hun schilden bijten op de manier van berserkers. Niemand ziet er gelukkig uit.

Indertijd vroeg ik me al af wie die geheimzinnige berserkers waren en het werd tijd het eens uit te zoeken. Het blijken Noormannen te zijn. Vikingen die dood en verderf zaaiden. De bekende Engelse uitdrukking ‘going berserk’ betekent zoveel als razend worden en in de van Dale lees ik dat berserkerwoede woeste, extatische, onweerstaanbare krijgswoede is. Berserkers brachten zichzelf met behulp van alcohol en hallucinogene middelen (vermoedelijk vliegenzwammen) in extase en gaven zich zo over aan een oncontroleerbare woede. Ze huilden als wilde dieren en beten op de rand van hun schilden en hakten op iedereen in die ze tegenkwamen (soms ook op hun vrienden).

Dit brengt me bij de vraag wie onze schakende berserkers zijn? De namen van Tal (Donner: "Hij behekst zijn tegenstanders en overdondert ze.”), Velimirovic (Donner: "Hij heeft de blik van een cheetah in zijn ogen en zijn tics verraden een alles verwoestende agressiviteit.”) en Sutovsky (Kavalek: “Hij speelt een onderhoudend, fantasierijk, bijna roekeloos soort schaak. Fischer zei eens van dit type spelers dat ze teveel talent hebben.”) schieten me te binnen. Er zijn er echter meer.

Bij elke schaakclub is wel een berserker te vinden. Bij Punto Chess is het Javier Monroy Carrizo (‘Alles op de aanval!’), bij LSG heet hij Albert Termeulen, zie mijn artikel ‘Een weinig alledaagse stelling’, en bij Promotie is het Harrie Boerkamp. De laatste beschrijft in zijn artikel ‘Recept tegen sterke spelers’, de strijdstijl van de berserker: “Altijd streven naar ruimte, activiteit en initiatief. Minachting voor het materiaal. Blijvende zwaktes op de koop toe nemen. Beetje provoceren, af en toe bluffen, soms iets geniaals. Vermijd het eindspel. En ik bezweer je: dat soort spel is gewoon te moeilijk, ook voor de grote jongens. Ze krijgen geen controle. Je krijgt altijd je kans.”

Onzin? Vraag het aan Bernard Bannink die tegen deze berserker in een finalepoule al na vijf zetten een stuk weggaf! Of aan Ton de Waal die zichzelf opknoopte. Of aan Manuel Nepveu wiens hoofd op het hakblok lag toen onze berserker zichzelf verzoop (dat kon een buiten zijn zinnen geraakte berserker overkomen). De angst voor de onvoorspelbare berserker druipt van deze voorbeelden af.


23 januari 2010